|
·
aantal bouwleerlingen
stijgt jongste jaren gestaag
·
groene economie
stimuleert vraag naar technici en vakmannen
De
bouwbedrijven blijven op zoek naar geschikte arbeidskrachten. Ook in
tijden van crisis, en zeker in het licht van de evolutie naar een groene
economie waarin de bouwsector een belangrijke rol speelt. De kwaliteit
en het succes van het bouwonderwijs zijn dus erg belangrijk voor de
sector. Er kiezen de jongste jaren meer jongeren voor een bouwopleiding.
Bouwunie, de bij Unizo aangesloten Unie van het KMO-bouwbedrijf, juicht
dit toe. De geleverde inspanningen van de sector en het onderwijs lonen
dus en moeten doorgezet worden. Bouwunie pleit voor een verdere promotie
van het TSO/BSO en specifiek de bouwopleidingen, en dit al van in het
basisonderwijs. Stages en actuele opleidingsinhouden moeten de kloof
tussen onderwijs en arbeidsmarkt dichten. De hervorming van het
secundair onderwijs staat trouwens op de agenda van de nieuwe Vlaamse
regering. Bouwunie wil alvast nauw betrokken worden bij deze
hervormingen. “We willen de kwaliteit van het bouwonderwijs opkrikken
en de bouwopleidingen beter promoten bij jongeren en hun ouders”,
aldus
Hilde Masschelein
, gedelegeerd bestuurder van Bouwunie. “De inhoud van de lessen moet
nauwer aansluiten bij de latere beroepsbezigheden. Hiertoe dienen de
jongeren ook voldoende praktijkervaring op te doen, bijvoorbeeld via
stages.” De bouw is een aantrekkelijke sector met diverse, toffe,
uitdagende, goed betaalde jobs. Bouwunie wil dit beter bekendmaken en de
bouwopleidingen aantrekkelijker maken. Doel is om meer jongeren voor een
bouwopleiding te laten kiezen, en zowel de opleiding van de jongeren als
de levenslange vorming beter af te stemmen op de behoeften van de
(potentiële) werknemers en de bouwsector.
Het
aantal leerlingen in het TSO en BSO én in de bouwopleidingen stijgt de
jongste jaren (+2,5%: 17.860 leerlingen volgden in het schooljaar 2008-
2009 in
Vlaanderen een bouwopleiding in de tweede en derde graad van het
Technisch, Beroeps- of Bijzonder Secundair Onderwijs en
1.029 in
het Deeltijds BeroepsSecundair Onderwijs). Ook hun aandeel in het totaal
aantal leerlingen in technische en beroepsgerichte opleidingen neemt toe
(nu meer dan 8% van de TSO- en BSO-leerlingen en 30% van de
BuSO-leerlingen).
Dit
is heel positief nieuws, maar spijtig genoeg zijn dit er nog altijd te
weinig om de vraag naar bouwvakkers in te vullen. De Vlaamse bouwsector
moet jaarlijks ongeveer 13.000 bouwvakkers vervangen en de bouwbedrijven
zijn (nu iets minder maar zeker na de crisis weer volop) op zoek naar
extra werkkrachten. Zo’n 6.000 personen ronden elk jaar met succes een
bouwopleiding af en daarvan stroomt minder dan de helft door naar de
bouwsector.
Daarnaast
stellen de bouwbedrijven vast dat de kwaliteit (lees: de quasi directe
inschakelbaarheid) van deze afgestudeerden daalt. De bouw-kmo’s willen
dat meer jongeren kiezen voor betere bouwopleidingen.
Om
de kloof tussen onderwijs en arbeidsmarkt te dichten, stelt Bouwunie een
aantal concrete maatregelen voor.
Verdere
promotie van technische en beroepsopleidingen
Het
TSO/BSO - en meer specifiek de verschillende bouwopleidingen – moeten
hun negatief imago kwijtraken. Beroepsrichtingen worden nu te
weinig gepromoot als waardevol en noodzakelijk. Veel ouders zijn de
mening toegedaan dat BSO en TSO niet prestigieus genoeg zijn. Nochtans
verdient een bouwvakarbeider goed zijn boterham. Bouwunie vraagt het
onderwijs een duidelijke imagocampagne te voeren over het beroep en de
doorstromingsmogelijkheden van jongeren uit BSO- en TSO-bouwopleidingen.
De
promotie van de technische richtingen en de manuele beroepen moet starten
in het kleuter- en basisonderwijs. Dit focust vooral op taal en
rekenen in voorbereiding op de kennismaatschappij. Kinderen worden
beoordeeld op basis van kennen en nauwelijks op basis van kunnen. Dit
gaat voorbij aan de hedendaagse veelzijdigheid van samenleving en
arbeidsmarkt. Wanneer de maatschappij vraagt dat geen enkel talent
onbenut blijft, moet het onderwijs zich zo organiseren dat het alle
talenten kan ontdekken en uitbouwen. Het degelijk onderwijzen en
evalueren van technische en manuele vaardigheden in het basisonderwijs
is noodzakelijk en zal op die manier bijdragen tot minder problematische
schoolloopbanen van jongeren (via watervalsystemen die leiden tot
ongekwalificeerde schoolverlaters) en leiden tot zelfbewuste, tevreden
en goed opgeleide vakmensen.
Bouwunie
pleit voor het beter integreren van de bouw in het lessenpakket.
Onbekend maakt onbemind. Jongeren moeten van in het basisonderwijs in
contact kunnen komen met bouwberoepen. Dit geldt ook voor het secundair
onderwijs. In de eerste twee jaren van het middelbaar is er wel een vak
"Technologische Opvoeding" (TO), maar de invulling gebeurt
door de school zelf en bevat nu zeer weinig bouwthema's. De bouw is een
belangrijke sector in onze economie. Dit moet ook weerspiegeld worden in
het vak TO.
Tot
slot moet het systeem van de studietoelagen ervoor zorgen dat de
ongelijkheid in kostprijs tussen beroepsgerichte opleidingen en algemeen
gerichte opleidingen geen struikelblok meer kunnen zijn voor sommige
gezinnen.
Kloof
tussen onderwijs en arbeidsmarkt dichten
Wat
zeker belangrijk is om de aansluiting op de arbeidsmarkt te verzekeren,
is de stageverplichting. Al tijdens de opleiding moet er
voldoende aandacht gaan naar typische sectorelementen. Een stage is
hiervoor de meest aangewezen methode. Ook de opleidingsinhoud
blijft vaak een knelpunt. Deze staat té ver af van de
beroepsbezigheden. Bouwunie wil een ernstig debat over de verwachtingen
van jongeren en de opleidingsinhouden. Voor heel wat leerlingen is een
directe opleiding veel interessanter dan een brede opleiding. De keuze
van een jongere voor een beroepsgerichte opleiding moet hem voldoende
garanties op tewerkstelling in de sector bieden. De bouw kan dit
garanderen.
Het
actueel houden van het opleidingsaanbod is essentieel.
Duurzaamheid is “hot” geworden in de bouwsector. Ook het onderwijs
moet hierop inspelen.
Hervorming
secundair onderwijs vraagt nauw overleg met de sectoren
Bouwunie
hoopt dat de nieuwe Vlaamse minister van Onderwijs rekening houdt met de
arbeidswereld en de sectoren betrekt bij de geplande hervormingen. Zo is
de plaats van het houtonderwijs een van de grote pijnpunten in de
bouwsector. Zowel de bouw- als de houtsector vragen een duidelijke
splitsing van de houtopleiding. Deze éne opleiding zou nu jongeren
moeten klaarmaken voor zo’n acht beroepen, waarvan vijf uit de bouw en
drie van de houtsector. Dat is niet mogelijk. Deze moet opgesplitst,
aangepast en dus veel meer beroepsgericht worden.
Het
huidige opleidingsaanbod is sterk versnipperd. Dit heeft een
weerslag op de kwaliteit van het aanbod en op de continuïteit. Jongeren
moeten duidelijk kunnen kiezen voor een kwalitatieve opleiding die
voorbereidt op een bepaald beroep. Een opleiding met voldoende
praktijklessen en werkervaring om de kloof tussen onderwijs en
arbeidsmarkt te dichten. Scholen die duidelijk maken dat je bij hen voor
een specifiek beroep kan leren, trekken trouwens beduidend meer jongeren
aan. Vandaar dat Bouwunie voorstander is van sterke sectorgebonden
scholen. Deze hebben beroepsspecifieke leerkrachten, hebben
voldoende middelen om het machinepark te vernieuwen, bieden specifiekere
stageplaatsen aan ... kortom, bieden meer kwaliteit.
Het
zou tot slot beter zijn radicaal af te stappen van het
ASO-TSO-BSO-hokjessysteem. Het onderwijs moet jongeren opleiden en
begeleiden op basis van hun mogelijkheden en toekomstperspectieven.
Uitbouwen
van bouwleerplicht
Dit
schooljaar is cruciaal voor het deeltijds onderwijs. De implementatie
van het nieuwe decreet Leren en Werken moet ingang vinden en de
bouwwerkgevers- en werknemersorganisaties willen concreet gestalte geven
aan de bouwleerplicht, een nieuw systeem van deeltijds leren-deeltijds
werken. Bouwunie pleit voor een synergieaanpak van de twee dossiers om
zo te komen tot een geslaagde opleiding voor jongere én bouwbedrijf.
Voor Bouwunie is het essentieel dat de bouwleerplicht eenvoudig en
aantrekkelijk is. Belangrijk is dat de jongere een overeenkomst afsluit
met een bouwbedrijf dat de daadwerkelijke verantwoordelijkheid voor deze
jongere opneemt. De jongere werkt in het bedrijf en zal op geregelde
tijdstippen lessen volgen in een opleidingscentrum. Deze lessen zullen
meer gegroepeerd worden in pakketten van minstens één week. De
alternering leren-werken wordt aldus op jaarbasis bekeken en niet meer
per week.
|