wegenbouw.be portaalsite voor de sector

  artikel  dd. 30/11/2007         

 

Brabantse wegenbouwers willen ook de vruchten plukken van pps-constructies

Publiek-private samenwerkingsverbanden (pps) moeten bovenop de reguliere investeringen komen en niet in de plaats ervan. Bovendien moeten ook familiale bedrijven hieraan kunnen meedoen. Dat verklaarden Marc Van Brabant, voorzitter van de Fédération Wallonne des Entrepreneurs de Travaux de Voirie (FWEV), en Herman Dekempeneer, voorzitter van de wegenbouwers van Vlaams-Brabant, op vrijdag 23 november in de Leuvense Faculty Club tijdens het banket van de Federatie Wegenwerken Brabant.

In zijn toespraak herinnert Marc Van Brabant aan de geschiedenis van de federatie van de Brabantse wegenwerkers.

 

“Om de belangen van het beroep te verdedigen, werd lang geleden een provinciale structuur in het leven geroepen. Die bestaat nog altijd en biedt de gelegenheid om de partners van de drie gewesten samen te brengen in een feestelijke sfeer, waarbij we elkaar kunnen vertellen over onze beroepservaringen in de andere regio’s. Brabant wordt als microcosmos van België door zijn aard en ervaring opgeroepen om een microcosmos van Europa te worden. Laten we dus ambitieus zijn, al dreigen sommige dingen onze dagelijkse activiteiten te verpesten”, vertelt hij.

Hierbij somt Van Brabant zes pijnpunten op, beginnend met de ondergrondse leidingen. “Als het gaat over onze veiligheid en het welzijn van iedere burger mag een gericht en efficiënt beleid niet langer uitblijven. In Wallonië begint door de ramp in Ghislengien veel begrip te groeien om de toestand te verbeteren en we geloven dat een decreet hierover binnen heel korte termijn het licht zal zien".

 

"Onze vorderingen worden op tijd gecommuniceerd in de Belgische Federatie van Aannemers van Wegenwerken (BFAW), waarvan Etienne Scherpereel voorzitter is. We danken hem voor zijn inzet en voor die van Yves Ulens, Jean-Pierre Wirix, Eli Desmedt en Marc Delaby”, meldt hij.

 

Ten tweede is er de kwaliteit van de wegbedekkingen en bij uitbreiding de kwaliteit in het algemeen. ”Het onderhoud van de bestaande wegennetten en de coördinatie kan zeker beter, zodat niet langer onophoudelijk wegen moeten opengebroken worden om er nieuwe leidingen te leggen".

 

"Kwaliteit is slechts mogelijk door de correcte en veralgemeende toepassing van het RW99 in Wallonië en de kwaliteit van de producten, ons personeel, het controlepersoneel en projectontwerpers en door de vooruitgang van de werken. Het Opzoekingscentrum voor de Wegenbouw (OCW) is hierbij een bevoorrechte partner”, weet Van Brabant. 

 

Ten derde blijft het gebrek aan planning en programmatie voor ongerustheid zorgen. Van Brabant waarschuwt ook voor het gebrek aan voldoende opgeleid personeel als de grote vraag naar werkkrachten blijft aanhouden en als de programmering en de planning van wegenwerken niet verbetert. “Onze opdrachtgevers denken soms dat wij tovenaars zijn. Als men de inschrijvingsprijzen bekijkt, hebben zij echter misschien wel gedeeltelijk gelijk”, monkelt hij.

 

Bovendien mogen grote projecten zoals het GEN, de Diabolo en de Oosterweelverbinding andere ondernemingen in de verschillende klassen niet over het hoofd zien. 

 

Ook de achterstallige betalingen baren de FWEV-voorzitter zorgen. De verwijlinteresten zouden volgens hem ten minste automatisch moeten betaald worden.

 

In vijfde instantie vraagt Van Brabant aandacht voor de opleidingen. Dit jaar nog worden met de medewerking van het Waalse Gewest allerlei soorten vormingscycli georganiseerd en i.s.m. de NAVB werden met hetzelfde succes veiligheidsopleidingen in de wegenbouw opgezet. En ten slotte vermeldt Van Brabant het afvalbeheer. 

 

De FWEV- voorzitter staat tot slot nog stil bij twee algemene thema’s, met op kop de deontologie in de zakenwereld.

 

“Op aandringen van sommige collega’s aannemers van wegenwerken wil ik eraan herinneren dat onze beroepsorganisatie haar leden aanspoort tot een deontologische en ethische handelswijze van ‘maximin’, t.t.z. een minimum aan deontologie zo groot mogelijk maken.

Onze talrijke contacten met de beroepsorganisatie de jongste twee jaar hebben mij er innig van overtuigd dat de grote meerderheid van onze aangesloten aannemers een loyaal arbeidskader wenst en we stimuleren met onze partners relaties conform de heersende wetten en de gebruiken en gewoonten en vooral met aandacht voor het algemeen welzijn. Alleen in een onberispelijk klimaat kunnen onze ondernemingen overleven. Onze jonge aannemers zijn de eersten om een dergelijk deontologisch en loyaal werkkader te vragen. Ik wil hen ook aanmoedigen om deel te nemen aan het verenigingsleven”, oppert Van Brabant.

  

Publiek-private samenwerkingsconstructies zullen volgens hem vermoedelijk de grote uitdaging van de toekomst worden. Pps moet dan wel bovenop de gewone investeringen komen en mag ze niet vervangen. 

  

“De uitdagingen van de toekomst vereisen een groter begrip tussen sociale partners. Nachtwerk, uitvoeringstermijnen, de strijd tegen lawaaihinder, vervuiling, … kortom het comfort van de gebruiker en de burger zullen de maatschappij ertoe verplichten om een nieuwe sociale wetgeving uit te vinden. We moeten onze werkkrachten ook kunnen motiveren”, beklemtoont de FWEV-voorzitter.

 

Herman Dekempeneer stelt vast dat de relaties tussen de bouwsector en de overheid nauwer zijn dan voor andere sectoren. “Dit heeft te maken met het feit dat de overheid voor de bouwsector niet enkel het algemeen regelgevend kader schept, zoals ze ook voor andere sectoren doet, maar in belangrijke mate ook het opdrachtenvolume bepaalt. Nog meer dan voor andere deelsectoren in de bouwnijverheid is dit het geval voor de wegenbouw”, weet hij.

 

Dekempeneer merkt ook op dat de concurrentiepositie en de welvaart van Vlaanderen steeds meer afhangen van de prestaties van de bouw- en vastgoedsector. “Sinds 2004 zijn in ongeveer dertig Vlaamse steden grootschalige stadsvernieuwingsprojecten van start gegaan.

Het gaat om een totale investering van 2,5 miljard EUR, niet alleen in woningen, maar ook in de verfraaiing van straten en pleinen. Vooral de 1,8 miljard EUR investeringen vanuit de private sector maakten het financiële plaatje compleet. Steeds meer is de bouw de gangmaker van stadsvernieuwingen”, juicht hij toe.

 

De bouwnijverheid (producenten, ontwerpers en aannemers) is volgens hem meer dan vroeger een krachtige motor van vernieuwing en innovatie in onze economie geworden. Zo maken gespecialiseerde bodemsanerings- en reinigingstechnieken sites bouwrijp voor uiteenlopende functies, terwijl die terreinen zonder deze hoogtechnologische bouwkennis nog jarenlang onbenut zouden gebleven zijn. 

 

“Bij bedrijfsgebouwen verschuift de vraag steeds meer van productie-eenheden naar logistieke gebouwen. Logistiek vormt terecht één van de vier pijlers van het programma Vlaanderen in Actie. Het zal echter uiteindelijk van onze infrastructuur afhangen of Vlaanderen in de Europese Unie een logistieke toppositie zal blijven bekleden”, weet Dekempeneer. 

 

Omdat vandaag slechts een beperkt aantal missing links voor het wegvervoer met reguliere middelen worden gefinancierd, zoals het autowegenkruispunt in Lummen en de tweede brug in Temse, is het belangrijk dat de uitvoering van deze projecten via pps kan versneld worden. Hieruit blijkt volgens Dekempeneer nogmaals het toenemende belang van de private bouw- en vastgoedsector voor de concurrentiekracht van Vlaanderen in Europa. 

 

“Publiek-private samenwerking vormt een belangrijk instrument voor de versterking van onze welvaart en ons welzijn. Dankzij pps kunnen we terreinen versneld activeren en dringende investeringsbehoeften sneller invullen. Maar pps is geen toverformule. Pps moet een bijkomend investeringsvolume creëren bovenop het reguliere investeringsbudget en mag het reguliere investeringsbudget niet aantasten".

 

"Pps ontslaat de overheid er bijvoorbeeld niet van om het bestaande infrastructuurpatrimonium goed te onderhouden. Een recent overzicht heeft aangetoond dat Vlaams-Brabant koploper is in te herstellen en te vervangen bruggen. Dit blijft een taak van de overheid, die daarvoor zelf ‘onverwijld’ budgetten moet vrijmaken”, benadrukt Herman Dekempeneer. 

 

De sector blijft bij pps-constructies pleiten voor een evenwichtige verdeling van de risico’s tussen publieke en private partners en voor transparante selectie- en gunningprocedures. Bedrijven mogen niet worden gedwongen tot te hoge studiekosten in verhouding tot hun kans om het project binnen te halen. De sector vraagt ook dat de algemene aannemingsvoorwaarden grotendeels van toepassing blijven omdat zij de inschrijvers belangrijke garanties bieden. Boetes moeten tot een maximum worden begrensd. De overheid moet er tevens op toezien dat de borgstellingen beperkt blijven. 

 

“Essentieel bij Vlaamse pps-projecten is het beschikbaarheidsrisico. De overheid moet de beschikbaarheidseisen voldoende duidelijk definiëren. De outputspecificaties, d.i. de omschrijving van wat precies van het nieuwe project wordt verwacht, zijn nog steeds ondermaats".

 

"Bij het uitschrijven ervan mag men zich niet beperken tot een bundeling van reeds bestaande normen en typebestekken. De administratie moet haar werkwijze aanpassen aan het feit dat ze bij pps en alternatieve financiering niet langer in detail moet omschrijven wat gebouwd wordt, maar wel objectief en meetbaar de prestaties moet bepalen die het project op lange termijn moet kunnen bieden".

 

"Daarbij moet de overheid ook telkens duidelijk vooraf uitklaren welke diensten zij zelf blijft leveren, zoals de winterdienst en de werking van de verkeerslichten bij openbare werken, en welke diensten de private partner op zich moet nemen”, stipuleert Dekempeneer.

 

Hij vindt het belangrijk dat ook familiale bedrijven aan infrastructuurwerken in pps-verband kunnen blijven meedoen. “Publiek-private samenwerking vergt een volledig andere werkwijze dan de aanpak die wij met reguliere aanbestedingen gewoon zijn. Zowel de publieke als de private sector hebben hier nog veel te leren. Het is belangrijk dat minister Ceysens, verantwoordelijk voor Innovatie, de sector daarin bijstaat. Zo is m.b.t. de omschrijving van onderhoudsverplichtingen op lange termijn nog bijkomend onderzoek vereist”, beseft de voorzitter van de Vlaams-Brabantse wegenbouwers.

 

Bij heel wat pps-projecten wordt van private partners ook een belangrijke financiële inbreng verwacht. Dekempeneer pleit ervoor dat de Vlaamse overheid familiale kmo’s de instrumenten zou geven waardoor ook zij de hogere financiële inbreng aankunnen die bij alternatief gefinancierde infrastructuurprojecten wordt gevraagd. Hierbij denkt hij aan de hogere borgstellingseisen. 

 

“Als wegenbouwbedrijven in eigen land niet aan de bak komen bij alternatief gefinancierde infrastructuurwerken kunnen zij het zeker vergeten bij alternatief gefinancierde werken in het buitenland. Wij rekenen op u opdat onze bedrijven in de eigen regio maximaal kennis kunnen opdoen bij de uitvoering van werken met pps en alternatieve financiering”, richt hij zich tot Vlaams minister van Economie, Ondernemen, Wetenschap, Innovatie en Buitenlandse Handel Patricia Ceysens.

 

Ceysens gelooft vooreerst in samenwerking tussen de drie gewesten. Als ze de voorafgaande eisen hoort, stelt ze echter vast dat ze beter de ganse Vlaamse regering had meegebracht, want voor elke minister wordt wel een opdracht geformuleerd.

 

“In mijn departement Economie ben ik geen groot voorstander van de subsidie-aanpak, o.m. omdat ze voor administratief meerwerk zorgt en weinig rechtszekerheid biedt. Ik zou deze subsidies veel liever gebruiken om de vennootschapsbelasting te verlagen. Deze aanpak is in het nut van iedereen en is rechtszekerder, eenvoudiger en makkelijker. Alleen heb ik in Vlaanderen deze bevoegdheid niet”, weet ze.

 

Op het vlak van ondernemen wordt getracht het onderwijs aan te pakken. “We hebben ondernemers nodig omdat zij jobs en welvaart creëren. Ik hoor echter dat jonge mensen aan universiteiten prachtige technologische dossiers ontwikkelen, maar dat het hen soms ontbreekt aan ondernemerschap en omgekeerd. Er komt ook een witboek over familiebedrijven”, kondigt Ceysens aan.

  

Wat innovatie betreft, is het Vlaams Instituut voor de Logistiek met een aantal vernieuwende projecten bezig. “In Dubai kwam ik in contact met het concept van de ‘extended gateways’. We moeten havens naar het binnenland kunnen verleggen. Iemand van Dubai Ports zei in dit verband: “Een hub is goed, maar een hinterland is beter.” De Amerikaanse autoriteiten leggen uit veiligheidsoverwegingen dan weer ‘secured tradeways’ op, die een uitdaging vormen voor iedereen die deelneemt aan de ganse intermodale transportketen”, signaleert de minister.

 

(bron: Bouwkroniek)